REGELS VOOR HET VISSEN IN ZEE

A. GEBIEDEN

De Visserijwet 1963 maakt een onderscheid in verschillende gebieden: zeevisserij, kustvisserij en binnenvisserij.
In het “Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970” worden de definities gegeven van het "zeegebied" en het "kustwater".

1. Zeevisserij:

Zeevisserij is het vissen in zee met inbegrip van het vissen in de visserijzone en in de daaraan grenzende als zeegebied aangewezen wateren:

 1. havens van IJmuiden en de toeleidingskanalen naar het Noordzeekanaal tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen;

2. het Uitwateringskanaal te Katwijk tot de meest zeewaarts gelegen waterkering;

3. de havens van Scheveningen tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen.

 2. Kustvisserij:

Kustvisserij is het vissen in:

 1. de Waddenzee en het Nederlands gedeelte van de Dollard en de Eems binnen de volgende grenzen:

a. voor de Westereems: de lijn gaande van de lichttoren van Borkum naar de Emder- of Grote Kaap op Rottumeroog, voor zover die lijn over Nederlands gebied loopt;
b. voor het Schild, de Lauwers, het Friesche Gat, het Pinkegat, het Amelandergat, het Vlie, het Eierlandsche Gat en het Texelsche Gat: de basislijn van de territoriale zee van Nederland.

 2.

a. de Maasmond;
b. de Nieuwe Waterweg tot de lijn gaande van het oostelijk havenhoofd van Maassluis naar het groene scheepvaartgeleidelicht no. 14;
c. het Calandkanaal, met de daaraan gelegen open havens, tot aan de meest zeewaarts gelegen waterkering; d. het Beerkanaal met de daaraan gelegen open havens.

3. Het zeegat van Goeree, landwaarts van een lijn getrokken tussen punt A (51°55'20"NB 03°59'23"OL) en punt B (51°50'00"NB 03°50'01"OL) tot de meest zeewaarts
   gelegen waterkeringen in het zuidwesten begrensd door de lijn getrokken vanaf de vuurtoren Westhoofd op Goeree (51°48'50"NB 03°51'55"OL) in noordwestelijke richting (315° r.w.) tot punt B.

4. Het Brouwershavense Gat, landwaarts van een lijn getrokken van punt B tot punt C (51°44'48"NB 03°40'23"OL) tot de meest zeewaarts gelegen waterkering, in het noordoosten begrensd door
    het Zeegat van Goeree en in het zuidwesten door de lijn getrokken vanaf de lichtopstand "De Verklikker" op Schouwen-Duiveland (51°43'34"NB 03°42'23"OL) in noordwestelijke richting (315° r.w.) tot punt C.

5. De Oosterschelde, landwaarts van een lijn getrokken van punt C via punt D (51°42'36"NB 03°36'40"OL) naar de kerktoren van de Nederlandse Hervormde kerk te Oostkapelle (51°33'59"NB 03°33'07"OL)
   tot de Grevelingendam, Philipsdam en Oesterdam.

6. De Westerschelde voor zover gelegen ten oosten van de basislijn van de territoriale zee van Nederland.

7. De aan de onder 1 tot en met 6 bedoelde wateren gelegen open havens en de met die wateren in open gemeenschap staande inhammen, kreken, spranken, gaten en killen.
 

3. Binnenvisserij

binnenvisserij is het vissen in de overige wateren van Nederland.

B. GRENS KUSTWATER - BINNENWATER

Waar kustwateren in verbinding staan met “de overige wateren van Nederland” (het binnenwater) geldt als grens:

a. waar geen open verbinding is, de waterkering, welke het dichtst gelegen is bij het kustwater;
b. waar een open verbinding is, de lijn gaande over de uitmonding, met dien verstande dat in de Nieuwe Waterweg als grens geldt de lijn gaande van het oostelijk havenhoofd van Maassluis naar het
   groene scheepvaartgeleidelicht No. 14.

C. TOESTEMMING (VERGUNNING) NODIG?

Binnenvisserij: als je niet zelf de visrechthebbende bent (eigenaar van de ondergrond of huurder van het visrecht) heb je in het binnenwater altijd schriftelijke toestemming nodig van de visrechthebbende.
De visrechthebbende bepaalt in zijn toestemming het aantal hengels waarmee in zijn water gevist mag worden.

Kustvisserij: als je niet zelf de rechthebbende bent (eigenaar van de ondergrond of huurder van het visrecht) heb je voor het vissen in het kustwater schriftelijke toestemming nodig tenzij je vist met
1 of 2 hengels (art. 7 Visserijwet 1963).

Waar het Rijk de rechthebbende is op het visrecht, mag in het betreffende deel van het kustwater zonder toestemming worden gevist met 1, 2 of meer hengels, het spieringtuig en de peur
(art. 7 Visserijwet 1963 en art. 1 Besluit beperking vrije visserij kustwateren).

Is het Rijk niet de rechthebbende dan is toestemming van de rechthebbende nodig voor het vissen met het spieringtuig en de peur.

Zeevisserij: voor het vissen in zee heb je geen toestemming nodig voor het vissen met hengels. Zie voor overige regels voor het vissen in zee het Reglement zee- en kustvisserij 1977.

D. ANDERE VISTUIGEN EN HET AANTAL HAKEN

 In het zeegebied en het kustwater is het volgens artikel 2 van de "Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwater" verboden te vissen met:

a. de harpoen, de elger, de aalschaar, of enig ander vistuig, hetwelk geëigend is de vis te verwonden, met uitzondering van het hoekwant, de reep, de dobber, de zetangel of fleur, de hengel of spieringtuig;
b. een visnet waarvan het netwerk van metaalgaas is vervaardigd, met uitzondering van de kreeftenkorf en enig ander net, bestemd of mede bestemd tot het vangen van schaal- en schelpdieren, zeesterren
    en zee- of koraalmos.

 Volgens artikel 3 van de "Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwater" is het in het zeegebied en het kustwater ook verboden te vissen met:
een palingfuik, staand want, hoekwant, aalkub, aalkistje, ankerkuil of enig ander vast vistuig*.

 In de kustwateren is het volgens artikel 3, lid 2 van de "Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwater" bovendien verboden te vissen met een zegen*.

* vergunning van de Minister is mogelijk

Naast een vergunning voor de daarvoor in aanmerking komende visserij, kan de minister van LNV ook ontheffing of vrijstelling verlenen van de verboden in de "Beschikking visserij visserijzone,
zeegebied en kustwater". Let op: zie voor de velerlei regels over de diverse soorten netten: artikel 2, lid 3 en volgende van de "Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwater".

E. DEFINITIES HENGEL EN SPIERINGTUIG

De definities van een hengel en het spieringtuig vinden we in artikel 1 van de "Visserijwet 1963":
hengel = het vistuig bestaande uit een roede - al dan niet voorzien van een opwindmechanisme - een lijn of snoer - al dan niet voorzien van één of meer dobbers - en ten hoogste drie een-, twee-
of drietandige haken.
spieringtuig = het vistuig bestaande uit een roede - al dan niet voorzien van een opwindmechanisme - een lijn of snoer - al dan niet voorzien van één of meer dobbers - en ten hoogste twaalf
al dan niet aan zijlijnen van ten hoogste tien centimeter bevestigde ééntandige haken, waarvan de bekopening ten hoogste acht millimeter bedraagt, voorzien van daartoe door Onze Minister aangewezen aas.

Op basis van de “Regeling aassoorten spieringtuig” mogen alleen de volgende aassoorten als aas worden gebruikt voor het spieringtuig, mits deze aassoorten niet groter zijn dan 2 centimeter:
een stukje vis, een stukje worm, een draad rode wol of een stukje zilverpapier.

Conclusie:

Uit het voorgaande volgt dat zowel voor het binnenwater, als het zeegebied als het kustwater geldt dat een hengel maximaal drie haken mag hebben en een spieringtuig met maximaal 12 haken.
Voor het vissen in de zee, voorzover die niet valt onder het zeegebied, gelden wat betreft de hengel of het spieringtuig geen speciale eisen. Het gebruik van het aantal haken is in de zee,
voorzover die niet valt onder het zeegebied dus niet aan een bepaald maximum gebonden.

F. LEVEND AAS

In artikel 2 van het "Besluit verbod gebruik van levend aas" is het verbod op het gebruik van levend aas beperkt tot het vissen in de kust- en de binnenwateren.

G. MINIMUMMATEN VOOR ZEEVISSEN

De artikelen 17, 18 en 19 en Bijlage XVII van “Verordening EG Nr. 850/98 d.d. 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge
exemplaren van mariene organismen” (E4.1) stellen voor de hierna genoemde vissoorten de volgende minimummaten vast, door kleinere vissen te bestempelen tot “ondermaatse mariene organismen”:

Kabeljauw 35 cm
Schelvis 30 cm
Zwarte koolvis 35 cm
Witte koolvis 30 cm
Heek  27 cm
Schartong 20 cm
Tong 24 cm
Schol 27 cm
Wijting 27 cm
Leng 63 cm
Blauwe leng 70 cm
Zeebaars 36 cm
Haring 20 cm
Horsmakreel 15 cm
Sardine 11 cm
Zeekreeft 85 mm
Makreel 30 cm.
Ansjovis 12 cm

In artikel 6 van de “Regeling technische maatregelen 2000” staat het verbod om ondermaatse mariene organismen zoals bedoeld in EG Verordening 850/98 voorhanden te hebben.
De “Regeling technische maatregelen 2000” is volgens de aanhef van deze Regeling gebaseerd op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het “Reglement zee- en kustvisserij 1977”.
Het “Reglement zee- en kustvisserij 1977” is volgens de aanhef van dit Reglement weer gebaseerd op artikel 3a en 4 van de Visserijwet.

Het verbod van artikel 6 van de “Regeling technische maatregelen 2000” is dus indirect gebaseerd op de artikelen 3a en 4 van de “Visserijwet 1963” Volgens artikel 1, sub 4 van de
“Wet op de economische delicten” is overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 3a en 4 van de “Visserijwet 1963” een economisch delict. Het voorhanden
hebben van de zojuist genoemde vissoorten die nog niet de minimummaat hebben bereikt, is dus een economisch delict.

Op basis van het Besluit minimummaten en gesloten tijden 1985 gelden voor de volgende soorten de daarachter vermelde minimummaten:

Aal 28 cm.
Bot 20 cm.